De plaats Tholen is in de 13e eeuw ontstaan aan de zeedijk langs de Eendracht na de bedijking van
de Vijftienhonderdgemeten-polder. De stad Tholen heeft haar naam te danken aan de vroegere
tolplaats waar de schippers aan de hertogen van Brabant tol moesten betalen om op de Striene en de
Eendracht te kunnen varen (tegenwoordig het Schelde-Rijnkanaal).


In 1366 kreeg Tholen stadsrechten en rond deze tijd is het stadje versterkt met stadsmuren, poorten
en vestingen. Tijdens de Tachtigjarige Oorlog moesten de middeleeuwse versterkingen van deze
grensstad van Zeeland plaatsmaken voor een geheel nieuw, stervormig verdedigingsstelsel met
wallen, grachten, bolwerken en vestingen.

TR1124
Plattegrond van de Stad Tholen naar een tekening van Guilliaume Dankerts van 1595.
Scherpenisse, Poortvliet en de Schakerloopolder onder Tholen zijn de oudste delen van het eiland
Tholen. In de Westkerkse Vliedberg, ten zuidwesten van Scherpenisse is het zogenaamd Pingsdorf
aardewerk van ca. 1127 gevonden. In schriftelijke bronnen wordt het eiland 'Scarpenesse' genoemd,
onder andere in een oorkonde van 1206, terwijl in een charter van 1203 sprake is van een geestelijke
van Scherpenisse genaamd Balduinus. Dit laatste duidt er op dat er toen reeds een gemeenschap
bestond, die groot genoeg was om een geestelijke te kunnen onderhouden.
Het dorp is ontstaan aan een dam in een geul. De loop van deze geul is voor een deel nog te zien
tussen de Molenweg en de Platteweg.Tot aan de samenvoeging van de gemeenten Scherpenisse en
Westkerke in 1816 vormde deze de gemeentegrens. Het is opvallend dat de kerk niet in het midden
van het plaatsje Scherpenisse staat. De oude kern is alleen in de richting van de haven uitgegroeid.
In een waterrijk gebied als Zeeland was deze haven de belangrijkste verbindingsader met de
omringende eilanden. De naam Scherpenisse wordt wel verklaard als Scherpe, of harde schorren,
dus een buitendijks land van stevige bodem en dat daardoor voor bewoning geschikt was.

In een oorkonde van 1206 wordt de plaats Stavenisse reeds genoemd. Veel meer dan een
overstroming in 1304 en een inpoldering van dit gebied in 1391 is er echter van dit dorp niet bekend.
In 1509 vond er wederom een overstroming plaats, waarna de huidige Stavenissepolder in 1599 werd
bedijkt. Hierbij werd rekening gehouden met de aanleg van een dorp bij de spuisluis en daar kwam
ook de haven te liggen. In 1616 werd de eerste predikant aangesteld, hetgeen er op duidt dat de
plaats toen al enige omvang had. De voornaamste huizen van dit zogenaamde Voorstraatdorp
stonden aan deze straat, die tussen de kerk en de haven ligt. In de 1ge eeuw werden ook woningen
aan de achterstraten gebouwd. De naam van het dorp en het omringende land wordt verklaard als
zijnde een buitendijks land (nisse of nes) dat destijds eigendom was van een zekere Stave, Staeve of
Steven (eigennaam). De Stavenissepolder overstroomde nogmaals in 1665 en 1682.


De archivaris van Tholen, de heer Zuurdeeg heeft aan de hand van de stadsrekening van 1586-1587
de situatie van dat moment beschreven. Het is ongeveer de tijd dat de geschiedenis van de families
Tolenaer begint, een woelige tijd aan het begin van de Tachtigjarige Oorlog.


DE STAD THOLEN IN DE PERIODE 1586-1587
De stadsrekening van Tholen over de periode 1586-1587 dateert uit een tijd dat Tholen tot de
voornaamste steden van Zeeland behoorde en als lid van de Staten van Zeeland deel uitmaakte van
het provinciaal bestuur. Door het toenmalig bestel had Tholen hierdoor ook de zeggenschap in de
samenstelling van de Staten-Generaal, het Hof van Holland en de Hoge Raad en daardoor invloed tot
ver buiten haar grenzen.


Het eind van de zestiende eeuw was, zoals reeds gezegd een woelige tijd. De Tachtigjarige Oorlog
(1568-1648) was in volle gang en juist gedurende de eerste decennia van deze oorlog tegen de
Spaanse koning Filips 11 had Zeeland zwaar te lijden van het oorlogsgeweld. Ook aan Tholen, de
grensstad van Zeeland zijn deze jaren niet ongemerkt voorbij gegaan. Nadat Tholen in 1577 als
laatste Zeeuwse stad de zijde koos van prins Willem van Oranje, werd het eiland bedreigd door een
inval vanuit Brabant. Aan de Brabantse zijde van de Eendracht, werden forten en schansen
opgeworpen. Ook het tegenover de stad gelegen hoornwerk Slikkenburg werd toen in 1583
aangelegd. Een hoornwerk is een eenvoudig bastion met een verdediging naar voren en naar schuin
opzij. Tegelijkertijd werden de dijken van de Brabantse polders doorgestoken, zodat de polders onder
water kwamen te staan. In 1588 tijdens het beleg van Bergen op Zoom deed de hertog van Parma
een poging om met zeven- tot achthonderd man de Eendracht te doorwaden en het eiland en de stad
Tholen in te nemen. De beide aanvallen werden echter afgeslagen door de graaf van Solms met circa
honderdvijftig man Staatse troepen, die achter de borstweringen op de dijken het vuur openden op de
Spanjaarden. De laatstgenoemden verloren circa vierhonderd man, waaronder twee kapiteins. Graaf
Octavia van Mansvelt en de markies van Reti kon men op tijd met spiesen uit het slijk trekken.


DE VERBRANDE MOLEN VAN SCHAKERLOO
De diverse beschrijvingen in de stadsrekening van 1586-1587 geven een aardig beeld van het leven
in die jaren. Zo blijkt uit het hoofdstuk 'Inkomsten' dat er vier molens in Tholen waren. Een wind- en
een watermolen binnen de stadswallen werden dat jaar nog verhuurd. De houten windmolens van
Schakerloo en Oud-Strijen waren echter door vermoedelijk de Geuzen in respectievelijk 1582 en 1576
in brand gestoken. Ook de beurtveerdienst op Antwerpen kon niet worden verpacht in verband met de
oorlog en de overgave van de stad Antwerpen aan de Spanjaarden in 1585. Hierbij moet men
bedenken dat er via de Schelde, die langs Tholen stroomde, een uitstekende verbinding was met
deze grootste stad in de Zuidelijke Nederlanden. Het Kreekrak tussen Brabant en Zuid-Beveland werd
pas in 1867 afgedamd in verband met de aanleg van de spoorlijn naar Vlissingen. Mogelijk vanwege
drukke bezigheden, wellicht door gebrek aan belangstelling deed het toenmalige stadsbestuur niets
aan het tuinonderhoud. De weduwe van baljuw Rezen, jonkvrouwe Micle had hiervoor wel
belangstelling en maakte de hof achter het stadhuis bruikbaar door gruis, stenen en andere 'ruijchte'
op te ruimen. Als tegenprestatie mocht zij de tuin twee jaar gratis huren.


STEDELIJKE GEZONDHEIDSZORG
Hoewel stedelijke gezondheidszorg een groot woord is, deed het Stadsbestuur in de zestiende eeuw
al iets aan deze zorg die bedoeld was voor de minst draagkrachtigen. Zo was er een vroedvrouw in
dienst van de stad en er werd zelfs een tweede aangesteld omdat de bevolking door de vele

vluchtelingen uit Vlaanderen zo sterk was gegroeid. Vààr die tijd zal Tholen vermoedelijk minder dan
vijftien honderd inwoners hebben gehad. Ook de medicijn- en pestmeester Paschasias Evel kreeg een
traktement van het stadsbestuur, vermoedelijk in verband met de heersende pest, een uitvloeisel van
elke oorlog in die tijd. Ook het onderwijs was toen al een taak van de stedelijke overheid.
Er werd in 1586 een nieuwe schoolmeester benoemd, namelijk Coenraad de Vogele, die voor zijn
komst naar Tholen in Brouwershaven woonde. Naast een traktement van de stad van ruim tien pond
per jaar kreeg hij ook een last turf en werden zijn verhuiskosten vergoed.


Daar de functie van schoolmeester en die van voorlezer en voorganger in de kerk gecombineerd
waren, gaven ook de predikanten bij zijn benoeming acte-de-présence. In de herberg In de Moriaen
aan de noordzijde van de Markt werd het accoord tussen de drie partijen gesloten. Vermoedelijk was
zijn voorganger Adriaen Tretiel in opspraak gekomen in verband met een geschil tussen de kerkeraad
en de 'minister' ofwel de predikant Mathijas van den Broecke, de vierde predikant na de Reformatie
die in 1577 en 1578 in Tholen plaats vond. Ook het stadsbestuur en de Classis bemoeiden zich met
deze zaak met als gevolg dat Mathijas naar Sint-Annaland vertrok.


HOGE GASTEN
In 1586 ontving het stadsbestuur belangrijke gasten. Prins Maurits
arriveerde op 23 mei en de graaf van Leicester, de nieuwe
landvoogd, bezocht Tholen in juli 1586. Beide keren moest men
een behoorlijk bedrag betalen voor het eten en drinken van de
hoge gasten en hun gevolg. Dat zelfde jaar was ook Mamix van
Sint-Aldegonde in opdracht van prins Maurits in Tholen aanwezig
in verband met de inspectie van de vestingwerken.
Veel geld werd er ook besteed aan het leggen van nieuwe straten
buiten de Sint-Andriespoort of Oudelandsepoort en de
Vossemeersepoort. Laatstgenoemde poort stond toen aan het
eind van de Dalemsestraat. De naam Kruittoren herinnert nog aan
deze poort. Deze aanleg van straten was nodig als gevolg van de
aanleg van de bastions bij de stadspoorten. Verder is er in de
rekeningen sprake van reparaties aan de stadsgebouwen, zoats de
Waterpoort die aan het eind van de Brugstraat stond, en de Hal in
de Hoogstraat. Uit deze en ook andere rekeningen uit die jaren TR1123
blijkt dat de oever van de Eendracht door de stroming steeds werd
ondergraven. Met rijshout poogde men het gevaar te bezweren. Een doorbraak van de contrescarp
ofwel de buitenoever van de vestinggracht zou rampzalig kunnen zijn voor de verdediging van de
stad, omdat dan de Zoute Vest zou leeglopen. Ook werd dat jaar rijshout gebruikt aan het in het
Tholense gat stekende hoofd van Venusdam, van waar men kon overvaren naar de stad
Reimerswaal. Dit hoofd lag aan de oostkant van de huidige Oesterdam.


HONGERIGE SOLDATEN
Een aantal uitgaven in de rekening betreft uitgaven aan militairen. Zo werden soldaten door de stad
betaald voor het laden van een schip met ammunitie die nodig was voor een tocht naar Vlaanderen,
vermoedelijk ter versterking van Sluis, dat in 1587 door Parma werd ingenomen.
Verder wordt melding gemaakt van het vertrek van de compagnie van kapitein Ambrose le Ducx naar
Axel. Dat de legerleiding in die dagen te kampen had met logistieke problemen, blijkt uit de uitgaven
die door het stadsbestuur werden gedaan in verband met het verstrekken van voedsel aan militairen:
onder meer werd tien pond kaas en ook brood geleverd aan Engelse en Franse huursoldaten die naar
Bergen op Zoom voeren en in Tholen hadden aangelegd omdat zij geen eten hadden, noch geld om
het te kopen. Ook de compagnie van kapitein Cluijt moest van brood en kaas worden voorzien. Uit de
in de rekening genoemde data blijkt dat er ook in november en zelfs in januari troepenbewegingen
plaatsvonden. Normaal was het dat de troepen 's winters in garnizoen lagen. Verplaatsing over land
was in het natte jaargetijde over de toenmalige wegen nauwelijks mogelijk, zeker niet met wagens.
Zolang de wind uit de goede hoek kwam en er geen ijsgang was, ging het vervoer over water blijkbaar
door. Of de winter van 1586-1587 een strenge winter is geweest, is niet duidelijk uit de rekening op te
maken, wel wordt er gesproken van de 'voirleden' strenge vorst toen het ijs in de Eendracht moest
worden gebroken. Met 'voirleden' kan ook de winter van 1585-1586 zijn bedoeld. Ook in andere
rekeningen worden uitgaven vermeld voor het breken van het ijs in de Eendracht hetgeen met bijlen

en zagen gebeurde. Ook de andere plaatsen op het eiland Tholen moesten in de Tachtigjarige Oorlog
mankracht leveren om de Eendracht open te houden. Dit nu juist niet vanwege de scheepvaart, maar
om te voorkomen dat de vijand het eiland over het ijs zou kunnen bereiken.


DE LANDING VAN DE SPANJAARDEN ONDER OUD-VOSSEMEER
Ondanks de grote zorg om de vijand buiten het eiland te houden zijn er in de periode 1586-1587
tweemaal vijandelijke soldaten aan land geweest, namelijk toen het oorlogsschip dat de Mosselkreek
bij Vrijberghe (Oud-Vossem eer) bewaakte, was vertrokken.
Vermoedelijk zijn deze soldaten met sloepen geland. Ook uit andere bronnen is bekend dat Spaanse
huursoldaten het water niet schuwden. Het hele eiland Tholen was daarom voorzien van redouten of
kleine veldschansen en van wachthuizen. Direkt na het Twaalfjarig Bestand liet het bestuur van de
smalstad Sint-Maartensdijk nog een stenen poort, de Oostpoort aan de Molenstraat bouwen om aan
het gevaar van 'zeerovers' het hoofd te bieden.
Nog in 1631 bleek dat een Spaanse vloot zich ongehinderd tussen de Zeeuwse eilanden kon
verplaatsen en wel via de geulen en kreken van het verdronken land van Zuid-Beveland en het
Keeten aan de Noord-West kant van het eiland Tholen bij Stavenisse. Eerst toen de wind uit de goede
hoek waaide, konden de dieper stekende schepen van de Zeeuwse en Hollandse vloot de Spaanse
roei- en zeilsloepen achtervolgen en op de huidige Mosselkreek, die toen ook de Eendracht heette,
tussen Sint-Annaland op het eiland Tholen en de Anna-Jacoba-Polder op Sint-Phillipsland inhalen en
verslaan. Dit feit staat bekend als de 'slag op het Slaak'. Uit het bovenstaande blijkt dat de jaren 1586
en 1587 turbulente jaren zijn geweest. Dit had zijn weerslag op de stedelijke financiën. De uitgaven
bedroegen bijna twaalfhonderd Vlaamse ponden, waardoor de rekening door de schepenen moest
worden gesloten met een nadelig slot of saldo van ruim honderd eenendertig Vlaamse ponden.
(Naar: J. P.B. Zuurdeeg, archivaris van de gemeente Tholen).


TR1114
Het stadhuis van Tholen.