Aan het einde van de zestiende eeuw is de bevolking van het platteland van West-Brabant massaal
op de vlucht geslagen. Gedurende een periode van ongeveer tien jaar zijn heel wat dorpen verlaten
geweest en is de bevolking naar versterkte plaatsen in de omgeving en zelfs verder weg gevlucht.
In 1579 werden er afspraken gemaakt door de markies Jan van Wittem en de stad Bergen op Zoom
met de Prins van Oranje en de Staten van Zeeland over troepen die daar ter bescherming van de stad
tegen de Spanjaarden gelegerd zouden worden. In datzelfde jaar staken deze Staatse troepen zonder
directe aanleiding een groot aantal huizen en schuren in de omgeving in brand.
In 1581 koos de markies Jan van Wittem de zijde van Parma, de Spaanse veldheer. Hij probeerde
vanuit zijn kasteel in Wouw zijn belangen op het platteland te verdedigen, maar ook de Staatse
troepen trachtten daar het gezag van de Prins van Oranje en van de Staten te vestigen. Door de
overgang van de markies naar de Spaanse zijde werd het markizaat voor de tijd van de oorlog aan de
Prins van Oranje geschonken. Met name aan de hand van de rekeningen van de rentmeester van het
markizaat van Bergen op Zoom heeft de heer Van den Bergh deze situatie kunnen schetsen.


In 1583 hield maarschalk Biron een legertocht met een gecombineerde legermacht van Franse en
Staatse troepen. Een belangrijk doel van deze tocht was het verzekeren van de inkomsten uit het
markizaat. In feite ging een deel van de inkomsten toch naar de markies in Wouw. Het resultaat van
de tocht was een massale leegloop van het platteland waardoor inkomsten verloren gingen.
Op 20 augustus van dat jaar brandde de kerk en de school van Wouw af en kon de koster geen
belasting betalen. Ook Roosendaat, Oudenbosch en andere dorpen zijn in die periode in brand
gestoken. De soldaten werden door honger en nietsdoen gedreven tot plundering, moord en roof. De
bevolking kreeg weliswaar toestemming om burgerwachten in te stellen ter bescherming, maar de
meeste mensen vluchtten en de dorpen werden verlaten. Met goederen en vee, voor zover men dat
nog had, trok men naar versterkte plaatsen als Bergen op Zoom, Lillo en Doel bij Antwerpen, Tholen
en Goes.
Uit strategische overwegingen gaven de Staten-Generaal opdracht de bevolking van de dorpen naar
de versterkte steden te laten gaan en de oogst op het platteland te vernietigen. De soldaten hadden
de opdracht soms zeer grondig uitgevoerd en vele huizen, kerken en kastelen afgebroken.


Tegen 1586 begon de bevolking van onder meer Roosendaal en Hoeven weer terug te keren naar
hun woonplaatsen, waar zij verwoeste en overwoekerde akkers aantroffen. In Halsteren woonde in
1587 nog niemand, een aantal bewoners woonde in Bergen op Zoom of Tholen. De Staten-Generaal
gaven in dat jaar opdracht plaatsen, waar nog Spanjaarden verbleven, te verwoesten, de bevolking te
verjagen en de huizen in brand te steken. Ook van strooptochten van de Spanjaarden had de
bevolking veel te lijden.


Omstreeks 1593 mocht de bevolking weer terugkeren; ook de bewoners van Halsteren kwamen terug,
maar een deel van de polders stond toen nog onder water. De inwoners van Wouw, Heerle en
Moerstraten vonden bij terugkeer "hunne woningen verwoest, den vruchtbaren akker, ja zelfs de
straten met houtgewassen, bramen, distels en doornen bewassen, dermate dat men moeilijk de oude
wegen, grenzen en scheidingen erkennen en de vaderlijke velden onderscheiden kon." Nadat
enigszins orde op zaken was gesteld, zijn van verschillende dorpen overzichten van de aanwezige
bevolking gemaakt. Zo ook in 1599 van Noordgeest. Daar wonen dan dertig gezinnen en totaal
honderd en vierenveertig personen. De meesten hebben hun werk in de landbouw, enkelen in de
potterij en de overigen zijn arbeiders, waaronder een schoenlapper.


(Dit verhaal is een beknopte samenvatting van het artikel van R. J. van den Bergh:
"Het verlaten West-Brabantse platteland (1583-1593)",
Gepubliceerd in het jaarboek De Ghulden Roos, 1995).