De oudste zoon van Comelis Hermanse Tolenaer, Lodewijk Comelisse, trok van Wouw naar
Roosendaal. Hij trouwde daar in 1647 en daar werden ook zijn vijftien kinderen geboren en gedoopt.


Men moet zich van het oudste Roosendaal geen overdreven voorstelling maken. De plaats lag niet
ongunstig, verschillende oude wegen kruisten elkaar in of bij het dorp. Van Oost naar West liep de
weg van Breda naar Bergen op Zoom over Roosendaal. Het zeer oude Nispen moet ook zijn
verbinding naar Noord en Zuid hebben gehad, die noordwaarts in Roosendaal uitkwam. Verder naar
het Noorden vormde het veer Oudenbosch - Dordt de verbinding met Holland sinds de Sint-
Elisabethsvloed van 1421. Bij deze landwegen is later de scheepvaart gekomen, maar die is niet
primair geweest. Pas in 1451 is de Vliet bevaarbaar gemaakt.
De turfwinning, waaraan Roosendaal in de vijftiende en de zestiende eeuw zijn welvaart dankte, kon
goed op gang komen in de uitgestrekte moergronden ten Zuiden van het dorp, toen de Oude Turfvaart
werd gegraven in 1449 krachtens contract van de eigenaar der moeren, de abt van Tongerloo, met
drie Antwerpse kooplieden, Claes van Drille, Godewaart Sanders en Hendrik de Cock.
Door al deze verbindingen kon Roosendaal markt en verzorgingscentrum worden voor de agrarische
bevolking in de wijde omgeving. Toch is het nooit tot een echte oude stad uitgegroeid. Misschien heeft
de nabijheid van de oude steden Breda en Bergen op Zoom remmend gewerkt. Misschien ook ontbrak
het de plaats aan een echt middelpunt en woonde de bevolking nog lang in meerderheid in de
oorspronkelijke donken zoals Kalfsdonk, Langdonk en Hulsdonk. Een regelmatig ter plaatse
residerende heer zoals Breda en Bergen heeft Roosendaal nooit gekend.


Een markt voor de omgeving was Roosendaal al vroeg. Nog altijd is de maandag de marktdag van de
stad. Engelbrecht 11van Nassau, heer van Breda, gaf bij privilege van 20 september 1502 aan de
Vrijheid Roosendaal het recht om de wekelijkse woensdagse markt naar maandag te verplaatsen. Het
privilege van die woensdagse markt was nog veel ouder; het was verleend door Engelbrecht I, die
leefde van 1380 tot 1442. In 1566 achtten Schout en Schepenen het noodzakelijke vanwege de grote
drukte op de markt nauwkeurig te omschrijven, waar de verschillende kramen moesten staan.


TR1118
Fragment van een kaart van West-Brabant uit ongeveer 1590.
Spaanse troepen rukken op langs de Vliet naar het brandende Roosendaal.
(Koninklijke Bibliotheek Brussel).

Met dit jaartal 1566 naderen wij de Tachtigjarige Oorlog, die voor Roosendaal zo noodlottig zou
worden. Brabant werd oorlogsterrein, vooral in de periode vóór het Twaalfjarig Bestand: de strijd om
Antwerpen, Breda en Bergen op Zoom. In 1572 gingen kerk en raadhuis en honderd en vijf huizen in
vlammen op.
Dr. Derikx meende, dat muitende Spaanse en Franse soldaten de schuldigen waren, die na de
inname van Zierikzee hier de brand op hun terugtocht zouden hebben gesticht.
De Beer heeft aannemelijk gemaakt dat het integendeel de troepen der opstandige gewesten zijn
geweest, die deze ramp veroorzaakten. Terecht beroept hij zich op de brieven van koning Philips II en
van Willem van Oranje. De Roosendalers hadden zich namelijk tot de landsheer Philips 11 gewend, de
hertog van Brabant met het verzoek bijzondere belastingen te mogen heffen om de schade te
herstellen. Op 26 augustus 1575 wordt hun die toestemming verleend en in zijn antwoord spreekt de
Spaanse koning van 'nos ennemis et rebelies', die de schade hadden aangericht.


Aan Willem van Oranje als heer van Breda en Roosendaal had men intussen verzocht om allen, die
Roosendaal omwille van hun veiligheid hadden verlaten, te verplichten mede in de kosten tot herstel
bij te dragen. De Prins antwoordde op 22 april 1578 en sprak toen van "het volcke van oorlog he" als
de boosdoeners. Hij hield zich dus op de vlakte.


In 1583 werd de plaats opnieuw gebrandschat, nu door de muitende Franse troepen van de hertog
van Anjou, in 1590 ging de inmiddels herbouwde kerk weer in vlammen op; de brand was gesticht
door Spaanse soldaten. Wederom hersteld, werd de kerk nogmaals door brand geteisterd in 1600.


Daarna werd zij slechts gedeeltelijk herbouwd. Het schip bleef een ritme, alleen dwarsschip en koor
werden weer in goede staat gebracht. Zo staat de kerk afgebeeld in het reeds genoemde Registrum.
Het tekeningetje is misschien van de hand van Pastoor Callebout, herder van de parochie van 1688
tot 1719, die vrijwel het hele Registrum heeft geschreven. Ook op de oude tekeningen en gravures,
die van Roosendaal zijn bewaard, ziet men de kerk zo; het duidelijkst op de gravure van Abraham
Santvoort (midden 17e eeuw).


Nog eenmaal heeft men aan volledige herbouw van de kerk gedacht. In het Gemeentearchief
berusten bestekken en tekeningen van restauratieplannen uit "1790 tot 1793. Een van die tekeningen
geeft ons het nauwkeurigste beeld van de oude middeleeuwse kerk, dat bewaard is gebleven.


Niet alleen van de oorlogshandelingen had Roosendaal te lijden gehad. Ook van de gevolgen van
oorlogen, pest en andere besmettelijke ziekten kreeg het ruimschoots zijn deel. De pest woedde er
mogelijk in 1603 en 1604, zeker in 1622 en 1625. Goyarts schrijft de epidemie van 1622 toe aan het
verblijf der Staatse troepen in de omgeving tijdens het beleg van Steenbergen in 1622. Hij heeft
berekend dat in 1625 ongeveer een vierde deel van de bevolking aan deze ziekte bezweek en dat de
pest naast brand en oorlogsgeweld de ontwikkeling van Roosendaal heeft geremd. De schatting van
het aantal inwoners op 4000 in de jaren 1583/1584 acht hij te hoog. Deze is afkomstig van Alonso
Vasquez, een Spaanse kapitein uit het leger van Alexander Farnese, hertog van Parma en veldheer
van Philips 11, die in zijn Diario ook Roosendaal beschrijft. Hij noemt het: "een open plaats van meer
dan vierduizend inwoners en een van de beste en rijkste van Brabant." Goyarts berekende het aantal
inwoners van Roosendaal in 1628 op ongeveer twaalfhonderd en daarom acht hij Vasquez' schatting
voor 1583 te hoog. Toch kan die wel ongeveer juist zijn geweest. Wij horen immers in de
tussenliggende jaren van grote rampen, die de plaats treffen als gevolg van de oorlog die vele
mensen doen wegtrekken en door de pest, die er herhaaldelijk woedt. Van Klundert wordt verhaald,
dat het aantal inwoners van 1800 tot vijfhonderd daalde. Hooft schrijft in zijn Nederlandse Historiën,
dat hele dorpen verlaten werden en dat wolven zich in de woningen nestelden. Het kan dus ook voor
het niet door muren of vestingwerken verdedigde Roosendaal waar zijn, dat de bevolking meer dan
gehalveerd werd. Dat inderdaad in deze rampzalige tijden wolven een plaag werden, blijkt uit de
maatregelen die er tegen werden genomen en de premies die voor het doden van wolven werden
uitgeloofd.


Een lichtpunt in die donkere dagen en een nieuw bewijs van de betekenis van Roosendaal als markt
voor de omgeving is het octrooi van het rampjaar 1572, waarbij aan Roosendaal werd vergund een
paardenmarkt te houden op 20 september en volgende dagen, die later werd verplaatst naar 6 maart.

Een rustpauze verschafte het Twaalfjarig Bestand van 1609 tot 1621. In deze periode is Roosendaal
een ogenblik het middelpunt geweest van druk diplomatiek verkeer. Hier zijn tussen de aartshertogen
Albrecht en Isabella en de Staten-Generaal onderhandelingen gevoerd over een definitieve vrede, die
mislukten door de houding van de Spaanse koning Philips 11.Waren de onderhandelingen geslaagd,
dan was het verloop der grenzen van de Republiek der Nederlanden heel anders geweest en een vrij
wat kleiner gebied zou binnen die grenzen hebben gelegen van wat uiteindelijk bij de vrede van
Munster in 1648 werd bepaald.


Tijdens het Bestand was de oudste zoon van Willem van Oranje, de in Spanje katholiek opgevoede
Philips Willem, heer van Breda en Roosendaal. Hij heeft zich de belangen van zijn onderdanen
aangetrokken, zoals blijkt uit de oprichting van een nieuw schuttersgilde, het cloveniers- of
colveniersgilde, waarvoor Philips Willem op 1 juli 1611 octrooi verleende. De schuttersgilden in het
Brabant van deze tijd waren niet alleen bedoeld om de weerbaarheid te verhogen en de onveiligheid
te bestrijden, maar ook om de saamhorigheid te versterken en de leden te binden aan het oude
geloof: de gildebroeders waren immers verplicht aan allerlei godsdienstige plechtigheden deel te
nemen, zoals de viering van het patroonsfeest.


De vrede van 1648 bracht Roosendaal met wat nu Noord-Brabant is, als het wingewest Staats-
Brabant of Generaliteitsland, voorgoed onder de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden.
Hiermede begon de langdurige periode van onderdrukking, waaraan pas de Bataafse Republiek in de
Franse tijd een einde zou maken. Die ligging in het Generaliteitsland heeft Roosendaal waarschijnlijk
geen goed gedaan. Wel bleef de turfnering bestaan, maar de rol van enige betekenis in de
scheepvaart, die Roosendaal in de zestiende eeuw had kunnen spelen - herhaaldelijk leest men van
de talrijke schepen, die hier hun thuishaven hadden - is voorbij. Dat die scheepvaart werkelijk van
belang is geweest, blijkt uit het feit dat Roosendaal enige mannen van betekenis op dit gebied heeft
voortgebracht in de leden van de familie Loncke, van wie Hendrik Comelisz Loncke de meeste roem
heeft verworven. Met Piet Hein is hij de veroveraar van de Zilvervloot in de baai van Matanzas in het
jaar 1628.
Voor Roosendaals belangrijkste monument, de oude Sint-Jan, was de vrede een ramp. De kerk moest
immers zoals overal elders aan de Hervormden worden afgestaan. Aangezien deze nooit een grote
gemeente hebben gevormd, was de kerk veel te groot voor hen en was behoorlijk onderhoud een
onmogelijkheid. Het gebouw verviel meer en meer. Wel hebben de Katholieken nog kort voor 1800
getracht hun Sint-Jan terug te krijgen, maar dat is niet gelukt en zo werd de kerk in 1807 afgebroken.


Door de vrede van Munster, die het oude hertogdom Brabant in tweeën scheurde, werd Noord-
Brabant grensland en zo werd het mede geteisterd door de oorlogen die de Republiek voerde.
Roosendaal, dat een open dorp was en bleef, was altijd kwetsbaar. Vooral in de Oostenrijkse
Successieoorlog had de plaats veel te lijden van requisities en inkwartieringen toen de Franse troepen
in 1747 Bergen op Zoom belegerden en innamen. Maar ook als de oorlog verder weg bleef, liet hij zijn
gevolgen voelen. Tijdens de Negenjarige Oorlog (1688 -1697) was België het slagveld en het lijkt niet

onmogelijk, dat de "sware siecten", waarvan Roosendaal had te lijden en waaraan o.a. de predikant
Hermannus van Essen stierf, hieraan zijn te wijten.
Veel gegevens over Roosendaals geschiedenis zijn voor de periode tussen 1648 en 1800 niet te
vinden. De Katholieken moesten alle ambten opgeven, die immers alleen bekleed mochten worden
door de belijders van de 'ware religie', zoals men dat in die tijd uitdrukte, dus door de Hervormden.
Geen wonder dat men veel dezelfde namen terugvindt, zoals de naam Swaens in de tweede helft van
de zeventiende eeuw. De bevolking groeide langzaam maar steeg in die jaren van 4355 tot 4615; niet
direct een spectaculaire groei. Bij de eerste volkstelling in 1810 blijkt het inwonertal te zijn gestegen
tot 4866. De Franse Tijd is geen onverdeeld gunstige tijd geweest. Voor de Generaliteitslanden was
het wel een periode die grote veranderingen bracht. Niet langer was het Zuiden wingewest; deze
streken werden een deel van de Republiek en van het koninkrijk op gelijke voet met de andere
provincies. De Katholieken genoten godsdienstvrijheid en kwamen weer in het bezit van de meeste
kerken. In Roosendaal kregen zij, nadat de kerk in 1807 was gesloopt, althans het terrein, waar deze
had gestaan, terug in 1809. De Protestanten bouwden toen in 1810 een eigen kerk aan de
Bloemmarkt. De nieuwe katholieke kerk kwam pas 1839 gereed, al waren reeds in 1809 de eerste
plannen tot herbouw gemaakt. De onrust in de Franse tijd is daar zeker mede debet aan geweest.
Achtereenvolgens maakte Brabant deel uit van de Bataafse Republiek, het Koningrijk Holland en het
Franse keizerrijk.
(Bron: Roosendaal en Nispen, Overzicht van de geschiedenis door Dr. B. H. Stote, 1965).


Roosendaal bestond uit diverse buurtschappen die door een eigen gemeenteman werden
vertegenwoordigd. Cornelis Lodewijks Tolenaar was gemeenteman op Hulsdonk.